Ga naar inhoud
Beleid & praktijk

Ketensamenwerking in de re-integratie: wat leert het onderzoek?

Door de redactie van Verbeteronderzoek

De terugkeer naar werk van mensen met een uitkering is zelden de verantwoordelijkheid van een enkele instantie. Gemeenten, het UWV, re-integratiebedrijven, werkgevers en zorgverleners dragen allemaal een deel van de puzzel. Instituut Gak heeft het belang van gedegen onderzoek naar deze samenwerking al vroeg onderkend en maakt al jaren onderzoeksprogramma's mogelijk die de kwaliteit van de sociale zekerheid en arbeidsmarkt in Nederland versterken.

Binnen het Re-integratie Verbeteronderzoek is ketensamenwerking een centraal thema geweest. Een van de deelprojecten richtte zich specifiek op de afstemming en samenwerking tussen verschillende organisaties in de re-integratieketen. De bevindingen bieden waardevolle inzichten voor iedereen die betrokken is bij het begeleiden van werkzoekenden naar duurzame arbeidsparticipatie.

Fragmentatie als struikelblok

Een van de meest in het oog springende conclusies uit het onderzoek is dat de Nederlandse re-integratieketen gekenmerkt wordt door een hoge mate van fragmentatie. Na de invoering van de Wet werk en bijstand (WWB) in 2004 kregen gemeenten meer beleidsruimte en financiele verantwoordelijkheid voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden. Die decentralisatie heeft onmiskenbare voordelen opgeleverd: gemeenten kennen de lokale arbeidsmarkt beter dan Den Haag en kunnen maatwerk leveren.

Tegelijkertijd heeft het ertoe geleid dat er per gemeente grote verschillen zijn ontstaan in aanpak, kwaliteit en resultaten. Uitkeringsgerechtigden die over een gemeentegrens verhuizen, kunnen te maken krijgen met een volstrekt ander beleid. Daarnaast is de aansluiting tussen het gemeentelijke domein en het UWV-domein niet altijd soepel, terwijl juist op dat snijvlak veel mensen tussen wal en schip dreigen te vallen.

De rol van vertrouwen

Het onderzoek heeft ook laten zien dat samenwerking in de keten niet alleen een kwestie van structuren en afspraken is, maar in hoge mate afhangt van vertrouwen tussen de betrokken professionals. Klantmanagers bij gemeenten, arbeidsdeskundigen bij het UWV en casemanagers bij re-integratiebedrijven werken vaak langs elkaar heen, niet zozeer uit onwil, maar omdat er onvoldoende zicht is op elkaars werkwijze en mogelijkheden.

In de gevallen waar de samenwerking wel goed verliep, bleek er vrijwel altijd sprake te zijn van persoonlijke contacten en korte communicatielijnen. Professionals kenden elkaar bij naam, wisten waar ze terecht konden met vragen en deelden informatie op een laagdrempelige manier. Die bevinding suggereert dat investeringen in relatieopbouw en face-to-face ontmoetingen een hoger rendement kunnen opleveren dan het formaliseren van samenwerkingsafspraken in convenanten en protocollen.

De client als verbindende schakel

Een opvallende uitkomst was de constatering dat de client zelf in veel gevallen de belangrijkste verbindende schakel vormt tussen de verschillende schakels in de keten. Het is de uitkeringsgerechtigde die bij zowel de gemeente, het UWV als eventueel een re-integratiebedrijf over de vloer komt en die als enige het totaalplaatje overziet. Die positie brengt niet alleen kwetsbaarheid met zich mee, maar ook een potentieel dat in de huidige praktijk onvoldoende wordt benut.

Het programma pleit ervoor om de client meer regie te geven over het eigen traject. Niet als vervanging van professionele begeleiding, maar als aanvulling daarop. Wanneer uitkeringsgerechtigden in staat worden gesteld om hun eigen doelen te formuleren en actief mee te beslissen over de stappen die gezet worden, neemt niet alleen hun motivatie toe, maar verbetert ook de afstemming tussen de verschillende betrokken organisaties. De rapportenreeks van het programma gaat uitgebreid in op de empirische onderbouwing van deze bevindingen.

Naar een samenhangend stelsel

De lessen uit het Verbeteronderzoek zijn onverminderd actueel. Het stelsel van sociale zekerheid en arbeidsmarktbeleid in Nederland ondergaat voortdurend veranderingen, en bij elke herziening speelt de vraag hoe de samenwerking tussen verschillende uitvoerders verbeterd kan worden. De bevindingen van het programma onderstrepen dat technische aanpassingen in wet- en regelgeving alleen niet volstaan: het menselijke aspect van samenwerking, van vertrouwen en communicatie, is minstens zo belangrijk.

Voor gemeenten en andere uitvoeringsorganisaties ligt hier een concrete opdracht. Investeer in de professionele netwerken van klantmanagers en arbeidsdeskundigen. Creeer mogelijkheden voor intervisie en gezamenlijke casuistiekbespreking. En betrek de client niet als passief object van dienstverlening, maar als actieve partner in het traject naar werk.